Somatische gezondheidszorg

Het is een blinde vlek in de gezondheidszorg dat er fysieke verschillen zijn tussen de seksen en rassen in symptomen bij bepaalde ziekten evenals het feit dat de werking van bepaalde medicijnen verschilt per groep. Zo is jarenlang hartfalen bij vrouwen veelvuldig onjuist of te laat gediagnosticeerd. De ziekteverschijnselen – die anders zijn dan bij mannen- werden verklaard als hyperventilatie of overgangsverschijnselen. Alle kennisontwikkeling was gebaseerd op onderzoek bij witte mannen. De gezondheidszorg denkt en handelt te vaak vanuit een dominant (witte mannen-) perspectief.

In een interview (door Titia Struiving in Breedbeeld, september 2007) vertelde Kitlyn over een voorval, vlak voor de dood van haar vader:

“Mijn vader is in een ziekenhuis in Nederland overleden. Voor zijn dood moest hij gedialyseerd worden en dat kon in Suriname niet. Hier in Nederland hebben we zoiets vreemds meegemaakt. Mijn vader werd – tegen onze verwachtingen in – heel depressief en hij raakte verward, op een manier die op dat moment nog helemaal niet paste bij de rest van zijn gezondheidstoestand. De dokters konden het niet verklaren. het werd steeds erger.

We kwamen als familieleden natuurlijk bezorgd op bezoek in het ziekenhuis en daar werden we door een van de zusters heel streng toegesproken. ‘Vertel op! Wie van jullie geeft je vader opium?’ We keken elkaar aan. Papa opium geven? Nee. Geen haar op ons hoofd die daar aan dacht. Hoe kwamen ze erbij? Ze vroegen het nog een paar keer. Ook al zeiden we nee, ze geloofden ons niet. Dat was vreemd. Na verloop van tijd is mijn vader in coma geraakt en overleden.”

Jaren later ontdekte Kitlyn dat haar Chinese vader is vergiftigd door een te hoge dosering van reguliere medicatie. Omdat in Nederland een taboe rust op het maken van verschil tussen rassen of seksen, wordt de kennis over deze zaken maar mondjesmaat ontwikkeld en toegepast.

Een ander verschil dat erkend zou moeten worden, bijvoorbeeld in de spreekkamer van de huisarts, is dat mensen uit collectieve familie-systemen het best hun verhaal kunnen doen als ze ingebed zijn in hun groep. Als patiënten met belangrijke verwanten op de afspraak komen, zijn ze beter in staat om te wisselen van perspectief met de arts en om aan te geven wat ze nodig hebben. Ook worden besluiten over patiënten vaak genomen door gezagsdragers in de familie die voor autochtone Nederlanders niet voor de hand liggen. Het kan dan gaan om oma’s, opa’s, ooms of tantes.

Artsen, verpleegkundigen en andere gezondheidswerkers zouden zich bewust moeten zijn dat het voor de behandeling van patiënten goed is om waar mogelijk aan te sluiten bij rituelen en gewoonten uit de cultuur van herkomst. Je kunt in een ziekenhuis natuurlijk niet alles toestaan. Maar door mensen te ‘beschermjassen’ in hun eigen groep en cultuur, vermindert de verwarring en verstoring in de communicatie waardoor de behandeling meer kans van slagen heeft.

Literatuur
Tjin A Djie, K. en I. Zwaan, ‘Beschermjassen, transculturele hulp aan families’, van Gorcum, Assen 2007
 
 

Sectoren